Camera om sjoemelende buschauffeurs te betrappen niet toegestaan

Inzet van cameratoezicht als onderzoeksmethode i.c. niet geoorloofd.

Rechtbank Rotterdam. Voorzieningenrechter
mr. A. van ’t Laar

Awb 3:2
Ambtenarenreglement (AR) 79 lid 1, 83, 97 lid 2
Wetboek van Strafrecht (WvSr) 441b

College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder.

Disciplinair strafontslag van werknemer van de Rotterdamse Elektrische Tram (RET). Bij het bestreden besluit van 31 maart 2005 heeft verweerder verzoeker wegens zeer ernstig plichtsverzuim met onmiddellijke ingang op grond van art. 79.1, onder j, art. 83 en art. 97.2 AR ontslagen. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende de schorsing van het bestreden besluit.

Verweerder heeft aan zijn besluit onder meer het volgende ten grondslag gelegd. Naar aanleiding van enkele klachten van passagiers dat zij na betaling geen kaartjes hadden gekregen, heeft verweerder een dienstmededeling doen uitgaan waarin de buschauffeurs van het nachtnet zijn gewezen op de geldende regels met betrekking tot kaartverkoop en kaartafhandeling bij het nachtnet.

Medio 2004 is opnieuw een aantal klachten van passagiers binnengekomen waaruit kon worden afgeleid dat chauffeurs op het nachtnet regelmatig geen vervoersbewijzen aan betalende passagiers overhandigen.

Hierop heeft verweerder met behulp van een onopvallende camera in de bussen (het technisch onderzoek) en via observatie door medewerkers van het onderzoeksbureau (het dynamisch onderzoek) onderzoek verricht onder alle nachtbuschauffeurs die dienst hadden in een vastgestelde onderzoeksperiode. Verweerder is op basis van bovengenoemd onderzoek van mening dat verzoeker zich, ten nadele van de RET, heeft schuldig gemaakt aan zeer ernstig plichtsverzuim. Verzoeker heeft door zijn gedrag het vertrouwen van de dienst in verzoeker als ambtenaar zeer ernstig geschaad, terwijl aan de integriteit van verzoeker - gelet op de aard van zijn functie die een dagelijkse omgang met geld met zich meebrengt - hoge eisen mogen worden gesteld. Voorts is het aanzien van de dienst ernstig geschaad door het feit dat verzoeker een publieksfunctie bekleedt. Het betreft herhaalde gedragingen van zodanige ernst dat de straf van onvoorwaardelijk ontslag niet onevenredig moet worden geacht. Het lange dienstverband van 24 jaar weegt niet op tegen de ernst en frequentie van het plichtsverzuim.

Verzoeker stelt zich onder meer op het standpunt dat de door verweerder gebruikte onderzoeksmethode van cameratoezicht ongeoorloofd is wegens strijd met de Wet heimelijk cameratoezicht (art. 441b WvSr).

De voorzieningenrechter is met verzoeker voorlopig van oordeel dat de inzet van cameratoezicht niet geoorloofd was en overweegt daartoe het volgende. Ingevolge de MvT bij art. 441b WvSr (TK 2000-2001 27 732 nr. 3 blz. 6) is opgenomen dat met de opname van het woord “wederrechtelijk” is beoogd een belangenafweging mogelijk te maken in geval van conflicterende grondrechten. Daarbij spelen de maatstaven van subsidiariteit en proportionaliteit een grote rol.

In dit kader staat het verweerder in zijn algemeenheid vrij om hangende een disciplinair onderzoek van bepaalde onderzoeksmethoden, zoals camera-observatie, gebruik te maken mits er duidelijke aanwijzingen zijn van betrokkenheid bij onregelmatigheden door de in het onderzoek betrokken personeelsleden. Hiervoor verwijst de voorzieningenrechter naar de in de vorige rechtsoverweging aangehaalde rechtsoverweging uit de uitspraak van de CRvB van 2 oktober 2003 (TAR 2004/73) .

Blijkens het door verweerder ingezonden dossier en het bestreden besluit is door verweerder naar aanleiding van 2 klachten in 2002, welke blijkens de dienstmededeling uit 2002 “geen directe aanleiding is om te veronderstellen dat de voorschriften m.b.t. de kaartafhandeling op grote schaal worden overtreden” en 3 klachten in 2004 besloten tot het eerder genoemde onderzoek .

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter leveren deze klachten geen duidelijke aanwijzingen op van betrokkenheid van alle buschaufeurs van het nachtnet bij onregelmatigheden en is niet voldaan aan de criteria op grond waarvan het in beginsel in art. 441b WvSr verboden cameratoezicht alsnog rechtmatig kan worden beoordeeld. Immers, de uitzondering op de strafbaarheid voor de overheid in het kader van opsporing van strafbare feiten geldt niet voor verweerder in zijn rol als exploitant van een vervoersonderneming.

Dit brengt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat het verweerder in het kader van een zorgvuldige voorbereiding van het besluit ingevolge art. 3:2 Awb niet vrijstond ten aanzien van alle dienstdoende buschauffeurs van het nachtnet een observatieonderzoek in te stellen. Hierbij merkt de voorzieningenrechter echter op dat deze klachten wel dergelijke duidelijke aanwijzingen vormen ten aanzien van individuele chauffeurs naar wie de klachten herleid hadden kunnen worden en die derhalve wel aan een nader (observatie)onderzoek onderworpen konden worden.

Voor de voorzieningenrechter wordt noch uit het bestreden besluit noch uit het dossier duidelijk om welke individuele buschauffeurs het in de gedocumenteerde klachten gaat, zodat het er in de onderhavige toetsing voor moet worden gehouden dat bovenstaande op alle buschauffeurs van toepassing is, bij gebreke van voldoende informatie.

Nu echter geen sprake is van een grief van verzoeker noch van een situatie op grond waarvan de voorzieningenrechter gehouden is de rechtsgronden aan te vullen die gericht zijn op het dynamische observatieonderzoek, zal de voorzieningenrechter de resultaten van het dynamische observatieonderzoek betrekken bij de beoordeling.

In het bestreden besluit is aangegeven dat bij verzoeker blijkens de observaties de nodige onrechtmatigheden zijn geconstateerd. Verweerder heeft daarin geen onderscheid aangebracht tussen de technische en dynamische observaties.

Gelet op voorgaande rechtsoverweging en het feit dat de overwegingen in het bestreden besluit met betrekking tot de observaties blijkens het bestreden besluit volledig zijn gebaseerd op het onderzoeksrapport van , ziet de voorzieningenrechter aanleiding voor de beoordeling van de dynamische onderzoeken het onderzoeksrapport te raadplegen, nu de inhoud daarvan ten aanzien van de observaties geacht moeten worden geïncorporeerd te zijn in het bestreden besluit.

Blijkens het onderzoeksrapport zijn ten aanzien van verzoeker drie dynamische observaties uitgevoerd, te weten op 17 oktober 2004 en tweemaal op 14 november 2004. Blijkens de observatie op 17 oktober 2004 heeft verzoeker bij twee betalingshandelingen, die drie passagiers betroffen, geen vervoersbewijs afgegeven. De voorzieningenrechter constateert dat verzoeker het bovenstaande als zodanig niet heeft betwist. Hij heeft slechts aangevoerd dat het hem niet te verwijten valt, gelet op de drukte als gevolg van het grote aantal passagiers dat is ingestapt.

Los van de vraag of deze gedragingen verzoeker kunnen worden verweten, levert dit niet naleven door verzoeker van een voorschrift dat bij verzoeker bekend was dan wel bekend hoorde te zijn, namelijk de gedraging om geen vervoersbewijzen aan betalende passagiers af te geven, naar het oordeel van de voorzieningenrechter plichtsverzuim op.

Ook als wordt aanvaard dat in sommige gevallen passagiers na betaling doorlopen en hun vervoersbewijs niet in ontvangst nemen dan wel willen nemen, is sprake van overtreding van een voorschrift, namelijk dat het depot moet kloppen met het aantal verkochte vervoersbewijzen.

In een dergelijke situatie zou het depot een overschot dienen te bevatten. Verzoekers stelling dat hij altijd beschikte over een kloppend depot, zou slechts opgaan indien zou vaststaan dat hij in alle gevallen waarin passagiers na betaling zijn doorgelopen zonder hun vervoersbewijs in ontvangst te nemen, wel een vervoersbewijs heeft afgestempeld en dit vervolgens heeft vernietigd.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter levert het gedrag van verzoeker plichtsverzuim op. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen verzoeker een disciplinaire straf op te leggen.

Vervolgens dient in het kader van de evenredigheid van de opgelegde disciplinaire straf beoordeeld te worden of het disciplinair strafontslag met onmiddellijke ingang zonder toevoeging van het woord eervol evenredig is aan het overtreden voorschrift, namelijk het meermalen, ten nadele van de RET, niet afgeven van vervoersbewijzen aan passagiers.

Gelet op het bovenstaande acht de voorzieningenrechter thans de door verweerder opgelegde disciplinaire straf onevenredig. Het bestreden besluit is genomen in strijd met art. 3:4 Awb.

Volgt toewijzing van het om voorlopige voorziening, in die zin dat het besluit van 31 maart 2005 wordt geschorst tot 6 weken nadat een beslissing op verzoekers bezwaar is genomen.

Zaaknummer: AWB 05/1701 AW
Datum uitspraak: 27-05-2005
LJN: AT7586

http://www.rechtspraak.nl/ljn.asp?ljn=AT7586

Laat een reactie achter

Restricted HTML

  • Allowed HTML tags: <a href hreflang> <em> <strong> <cite> <blockquote cite> <code> <ul type> <ol start type> <li> <dl> <dt> <dd> <h2 id> <h3 id> <h4 id> <h5 id> <h6 id>
  • Lines and paragraphs break automatically.
  • Web page addresses and email addresses turn into links automatically.

Reacties (1)

Marina
Tue, 01/13/2015 - 22:33

Over sjoemelen gesproken! Ik had de regels gelezen toen ik ook met de bus mee reed! Ik vond gewoon dat de regels gewoon moet worden gehouden! Een man praatte met een buschauffeur tijdens het rit! Vele jongeren eten en drinken in de bus en maken lawaai met hun smartphones! Dat noem ik meten met twee maten! Wat nou niet toegestaan de cameras? Word de belangen van de passagiers die iets ergs overkomt ook over het hoofd gezien?

Waarom lid worden van HelloLaw?
  • Krijg onbeperkt juridisch advies
  • Profiteer van de laagste prijzen
  • Krijg korting op advocaten
  • Bespaar geld
Word nu lid
Direct advies:
ma - do: 8.00 tot 20.00 uur
vrij: 8.00 tot 18.00 uur
za: 10.00 tot 18.00 uur